Netmasker
De termen netmasker en subnetmasker worden vaak door elkaar gebruikt. Subnetmaskers worden echter voornamelijk gebruikt in netwerkconfiguraties, terwijl met netmaskers doorgaans klassen van IP-adressen worden bedoeld. Ze worden gebruikt om een reeks IP-adressen te definiëren die door een ISP of een andere organisatie kan worden gebruikt.
Er zijn drie standaardklassen van IP-adressen – A, B en C – met de volgende netmaskers:
Klasse A: 255.0.0.0
Klasse B: 255.255.0.0
Klasse C: 255.255.255.0
Een netmasker van klasse A definieert een reeks IP-adressen waarin het eerste gedeelte van drie cijfers hetzelfde is, maar de andere gedeelten elk een getal tussen 0 en 255 kunnen bevatten. Adressen van klasse B hebben dezelfde eerste twee gedeelten, maar de getallen in de laatste twee gedeelten kunnen verschillen. Adressen van klasse C hebben dezelfde eerste drie gedeelten en alleen het laatste gedeelte kan verschillende getallen bevatten. Een IP-adresreeks van klasse C kan daarom maximaal 256 adressen bevatten.
Technisch gezien is een netmasker een waarde van 32 bits die wordt gebruikt om gedeelten van IP-adressen van elkaar te scheiden. Hoewel een netmasker van klasse C meestal wordt geschreven als "255.255.255.0", kan het ook worden gedefinieerd als 11111111.11111111.11111111.00000000. Deze binaire weergave laat de 32 bits zien waaruit het netmasker bestaat (4 gedeelten van elk 8 bits). Ook laat deze zien op welke manier het netmasker de IP-adressen die het bevat, "maskeert". De gedeelten die volledig uit enen bestaan, zijn vooraf gedefinieerd en kunnen niet worden gewijzigd, terwijl het gedeelte dat volledig uit nullen bestaat elk getal tussen 0 en 255 kan zijn.
Test je kennis